Wethouder Koolaard heeft in de vergadering van het presidium op 28 januari 2009 namens het college van B&W aangegeven de aanwezige fractievoorzitters te willen consulteren. De mededeling van de wethouder ging erover dat het college voornemens was een vooruitakkoord te verlenen inzake de voorgenomen bouw van 23.000 m2 kassen aan de Westelijke Randweg nummer 1 te Broek op Langedijk.
Het college wilde graag de mening van de fractievoorzitters hierover!
De discussie die daarop in het presidium volgde spitste zich toe op 2 items; waarom een vooruitakkoord /later gedoogbeschikking genoemd en waarom worden de fractievoorzitters geconsulteerd bij het afgeven van de bouwvergunning.
De vooruitakkoord/gedoogbeschikking was noodzakelijk omdat door de afdeling Vergunningen en Handhaving bij de aanvrager van de bouwvergunning de suggestie is gewekt dat als door het Hoogheemraadschap goedkeuring voor de vervangende / compenserende waterberging zou zijn gegeven de bouwvergunning door de gemeente verleend zou worden.
De aanvrager heeft daarop bij ontvangst van de goedkeuring door het Hoogheemraadschap de bouwvoorbereidingen gestart en zou derhalve aanzienlijke extra financiële kosten moeten dragen als de gebruikelijke procedure in werking gesteld zou worden.
Er waren dus verwachtingen gewekt en het verlenen van een bouwvergunning kost tijd! Dit waren, in mijn woorden, de woorden van de wethouder. U kunt ze naluisteren op het audio-verslag van het presidium.
Met betrekking tot de bevoegdheid voor het verlenen van de bouwvergunning was de conclusie dat dit weliswaar een -bij het vaststellen van het Bestemmingsplan Buitengebied en Koedijk in december 2007- aan het college gedelegeerde bevoegdheid was maar dat het college in deze de raad actief wilde informeren..
Voor de uitbreiding van de kassen aan de Westelijke Randweg was immers een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan opgenomen.
Bij het nalezen van het bestemmingsplan bleek dat de raad een wijzigingsbevoegdheid in het BP heeft opgenomen voor het perceel aan de westelijke randweg voor de uitbreiding van het huidige kassencomplex tot maximaal 25.000 m2. Er staat nu ongeveer 10.000 m2
Ik wil daarom nogmaals benadrukken dat de wethouder het in het presidium op 28 januari 2009 consequent heeft gehad over een bouwaanvraag voor de uitbreiding met 23.000 m2 kassen van de aanvrager!
De conclusie dringt zich op dat de wethouder niet de correcte informatie aan het presidium heeft verstrekt. Wij hebben om hierover duidelijkheid te krijgen en over de redenen achter het voornemen van het college om een gedoogbeschikking te verstrekken schriftelijke vragen aan het college gesteld op 1 februari.
Als antwoord op die vragen hebben we een notitie van het college ontvangen. Daarbij blijkt dat de vraag over de juistheid van de door de wethouder verstrekte informatie door het college niet beantwoord wordt maar dat verwezen wordt op het antwoord op de vraag over de omvang van de bouwaanvraag. Ik zal daarom het antwoord van het college op onze vraag
3: “Heeft het college hiermee onjuiste informatie aan de raad cq het presidium verstrekt?” citeren:
“ad 3: wordt verwezen naar de beantwoording van vraag 2!”.
en bij ad 2 wordt geschreven: Wethouder Koolaard heeft bij de uitleg van ons besluit gesproken over een oppervlakte van 23.000m2 kassen. Hiermee werd bedoeld de totale oppervlakte aan kassen die zal ontstaan na het realiseren van de bouwplannen en vervolgens uitleg over het feit dat als de wethouder gezegd had wat hij bedoelde dit binnen de wijzigingsbevoegdheid van het college zou vallen. En inderdaad een uitbreiding met 11.793 m2 kassen past binnen de wijzigingsbevoegdheid.
Echter het gaat er bij het beantwoorden van de concrete vraag of de wethouder juiste informatie aan de raad cq het presidium heeft verstrekt niet om wat hij BEDOELDE te zeggen maar om wat hij heeft gezegd.
Uit de notitie van het college van 5 februari blijkt tevens een nieuw feit; Ik zal het essentiële deel van het antwoord van het college op onze vraag “wat is de reden dat het college aan aanvrager de suggestie heeft gegeven dat bij toestemming van het hoogheemraadschap de bouwvergunning door de gemeente zou worden verstrek?, nota bene de reden die de wethouder in het presidium gaf voor het af willen geven van de vooruitbeschikking! daarom citeren:
“Aanvrager is er per abuis van uitgegaan dat direct na de goedkeuring van het beeldkwaliteitsplan en het waterbergingsplan de bouwvergunning verleend zou worden. Door ons college is dit noch gesuggereerd noch gecommuniceerd.”
Dus ook hier heeft de wethouder informatie aan de raad cq het presidium verstrekt die volgens het antwoord van het college niet correct is!
Wij zijn van mening dat voor het vragen om toestemming aan de raad voor het houden van een interpellatie zwaarwegende argumenten ten grondslag moeten liggen. De interpellatie is binnen de parlementaire geschiedenis een zwaar middel.
De redenen om toestemming aan de raad te vragen hierover een interpellatie aan te vragen zijn gelegen in de volgende feiten:
- het is ons inziens overduidelijk dat de wethouder in het presidium onjuiste informatie heeft verstrekt, Of hij heeft op 28 januari onjuiste informatie verstrekt over de grootte van de uitbreiding -1,18 hectare zoals uit het schriftelijke antwoord van het college op onze vragen blijkt- in plaats van de door hem genoemd 23.000 m2 OF hij heeft het presidium onjuiste informatie verstrekt over de bevoegdheid van het college de wijzigingsbevoegdheid toe te passen. Immers die bevoegdheid is beperkt tot een uitbreiding tot maximaal 25.000 m2. Over beide zaken was de wethouder op 14 januari in het presidium zeer duidelijk; uitbreiding met 23.000 m2 en het is een bevoegdheid van het college om de wijzigingsbevoegdheid toe te passen! Ook op ander punten kan de conclusie slechts zijn dat niet juiste informatie aan de raad is verstrekt.
- Uit de notitie van het college in antwoord op onze vragen blijkt dat het college niet bereid is om dat gewoon toe te geven, simpel met een excuus “het zal nooit meer gebeuren, het spijt ons” of bijvoorbeeld “het mag van een wethouder niet verwacht mag worden dat hij en het dossier en het bestemmingsplan kent” of iets dergelijks.
- Nee niets van dit alles; als antwoord op onze vragen worden -ongevraagd- andere fouten van de wethouder naar voren gebracht. Het geven van de onjuiste informatie, normaal gesproken een politieke doodzonde, wordt aangedikt in plaats van verklaard! Bij ons wekt dit de suggestie dat de wethouder door het college niet gedekt wordt. En van dit antwoord zijn wij behoorlijk geschrokken.
Op het krijgen van duidelijkheid of onze conclusies juist zijn, richt zich deze interpellatie en de gestelde interpellatievragen.
De raad heeft ons toestemming voor het houden van de interpellatie verleend. Ik zal derhalve de reeds verzonden vragen aan het college stellen en verzoek hen de vragen te beantwoorden.
- Welke informatie over de omvang van de bouwaanvraag heeft wethouder Koolaard in de vergadering van het presidium dd 28 januari 2009 aan de raad verstrekt?
- Wat is de reden dat wethouder Koolaard niet de correcte omvang van de bouwaanvraag aan het presidium heeft verstrekt?
- Wat is de reden dat de op 1 februari 2009 gestelde vraag onder 3; Heeft het college hiermee onjuiste informatie aan de raad c.q. het presidium verstrekt?, niet beantwoord is?
- Op welke wijze is uw antwoord Ad 4 “Door ons college is dit noch gesuggereerd noch gecommuniceerd. “ in overeenstemming te brengen met de verklaring van de wethouder in het presidium op 28 januari 2009, dat “door de afdeling bij de aanvrager de suggestie gewekt is dat na toestemming door het Hoogheemraadschap voor watercompensatie de bouwvergunning verleend zou/kon worden”?
- Worden met uw uitspraak dat er geen reden of noodzaak is de provinciale gedragslijn voor compensatie van natuurlijke en landschappelijke waarden te betrekken bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid gedane toezeggingen van De Groot en Slot Allium B.V. over natuurcompensatie, de toezeggingen van het college van B&W aan de raad, zoals door u gedaan bij het vaststellen van het bestemmingsplan in december 2007 en de in de wijzigingsbevoegdheid genoemde voorwaarden op correcte wijze tot uitvoering gebracht?
De wethouder heeft onjuiste informatie aan de raad verstrekt op de vergadering van het presidium op 28 januari. De vaststelling van dit simpele feit is niet bevorderlijk voor het vertrouwen dat de raad in de wethouder MOET hebben om vruchtbaar te kunnen samenwerken.
Beantwoording 2e termijn:
Het niet beantwoorden van een concrete vraag door een raadslid vinden wij een ernstige tekortkoming van het college. Deze tekortkoming is schadelijk voor het vertrouwen van de raad, van raadsleden, in ieder geval van dit raadslid in het college.
Het college heeft onze indruk dat de door de wethouder gemaakte fouten, het geven van niet juiste informatie over de omvang van de bouwaanvraag etc door het college aangedikt zijn, niet weg kunnen nemen.
Tevens is geen opheldering gegeven waarom de fout van de wethouder -onjuiste informatie te verstrekken- aangedikt is.
Dit in deze raad te moeten vaststellen is schadelijk voor het in het college gestelde vertrouwen
Het college heeft geen sluitende verklaring gegeven dan wel oprecht spijt betoond voor het niet geven van de correcte informatie!